
Door Martina Jung
We hadden niet verwacht dar er tijdens de conferentie van Kopenhagen over de klimaatwijziging in 2009 een wereldwijd klimaatverdrag – of toch iets dat daar op lijkt – uit de bus zou komen en we rekenden ook niet op enige verbintenissen betreffende de terugdringing van broeikasgasemissies, vooral niet uit Chinese hoek. De inhoud van het Akkoord van Kopenhagen heeft ons dus niet speciaal ontgoocheld.
De bredere consensus lijkt het er echter over eens dat Kopenhagen zijn doel heeft gemist, meer bepaald bindende overeenkomsten tussen de deelnemende landen bereiken om de opwarming van de aarde aan te pakken die op hun beurt de basis zouden leggen voor een wereldwijd klimaatverdrag dat in 2010 zou worden ondertekend. De deelnemende landen hebben inderdaad slechts akte van het Akkoord van Kopenhagen genomen zonder zich te verbinden tot een daadwerkelijk aanvaarding ervan. Het minimale compromis dat werd bereikt, maakt geen melding van streefcijfers noch van controlemechanismen voor de terugdringing van gasemissies. Evenmin is het bindend of unaniem.
Toch bevat het Akkoord van Kopenhagen twee punten die ons tot optimisme aanzetten. De eerste reden tot optimisme is de erkenning door de lidstaten van de VN dat de verhoging van de gemiddelde wereldwijde oppervlaktetemperatuur tegen 2050 tot twee graden Celsius of minder beperkt moet blijven. Voor het eerst wordt wetenschappelijk bewijs van de opwarming van de aarde vermeld in een politiek document dat op 193 staten van toepassing is. In de toekomst zullen de ontwikkelingen getoetst worden aan dit streefcijfer dat als een universeel aanvaard plafond zal gelden. De tweede reden is de plechtige belofte van de industrielanden om tijdens de volgende 3 jaar met 30 miljard USD over de brug te komen voor de opkomende landen. Dit bedrag is bedoeld om de maatregelen tegen de klimaatverandering een impuls te geven en kan tegen 2020 verhoogd worden tot 100 miljard USD per jaar om de creatie van productiecapaciteit voor hernieuwbare energie te versnellen.
Verwezenlijkingen zoals deze zijn slechts een eerste stap in de richting van een wereldwijd klimaatverdrag. Vooralsnog zullen ze slechts een kleine impact hebben op de fundamentele maatregelen op het vlak van hernieuwbare energie. Maar de behoefte aan voortgezette onderhandelingen en de toenemende druk om wettelijk bindende overeenkomsten af te sluiten heeft positieve effecten op de middellange en de lange termijn voor hernieuwbare energie.
Op de korte termijn verwachten we ambitieuzere maatregelen op nationaal niveau. Tijdens de conferentie van Kopenhagen hebben China en de VS al diverse maatregelen voorgelegd die ze bereid waren te nemen om hun emissie van CO2 te verlagen. Al die maatregelen omvatten een verhoging van de hernieuwbare energiecapaciteit wat meteen ook de mogelijkheid biedt om nieuwe banen te creëren en om hun landen minder afhankelijk te maken van buitenlandse energiebronnen. De verklaringen die ‘s werelds twee grootste emittenten na de conferentie hebben afgelegd, bevestigen alvast hun engagement om het probleem van de klimaatverandering aan te pakken evenals hun bereidheid om de technologieën op het gebied van hernieuwbare energie verder te promoten. Wij menen dat er nog meer landen dezelfde weg in zullen slaan, nu er al 193 staten bij deze plannen betrokken zijn, ten minste toch op politiek niveau.